
Het werkelijke rendement van een groenfonds wordt niet bepaald door de fiscale vrijstelling, maar door uw beheersing van de onderliggende risico’s en timing.
- Lage fondsrendementen zijn vaak een direct gevolg van duratierisico bij rentestijgingen, een factor die losstaat van het belastingvoordeel.
- Een correcte aangifte en instappen vóór de eindejaarssluiting van fondsen zijn cruciaal om het belastingvoordeel daadwerkelijk te realiseren.
Aanbeveling: Analyseer het fondsrisicoprofiel en de kostenstructuur diepgaand voordat u instapt om uw nettorendement te maximaliseren.
Als belegger met vermogen in box 3 bent u ongetwijfeld bekend met de zoektocht naar fiscaal vriendelijke oplossingen. Groenfondsen springen er dan al snel uit, met de bekende belofte van een vrijstelling en een heffingskorting. Veel beleggers staren zich echter blind op dit voordeel en zien het als de primaire drijfveer voor hun investering. Ze gaan voorbij aan een cruciale realiteit: het fiscale voordeel is slechts één component van uw totale rendement. Het is het startpunt, niet de eindbestemming.
De prestaties van veel groenfondsen blijven immers achter, wat vragen oproept over de netto-opbrengst. Het idee dat de belastingbesparing een matig rendement compenseert, is een gevaarlijke versimpeling. Een strategische benadering, zoals een financieel adviseur die zou hanteren, kijkt verder. Het vereist een diepgaande analyse van de onderliggende factoren: wat zijn de specifieke risico’s die het fondsrendement drukken? Hoe berekent u uw exacte nettorendement na kosten en belastingen? En welke administratieve en timingfouten kunnen uw voordeel volledig tenietdoen?
Dit artikel doorbreekt de oppervlakkige kijk op groen beleggen. We behandelen het niet als een simpele fiscale aftrekpost, maar als een serieuze beleggingscategorie die een professionele analyse verdient. We duiken in de risico’s, de berekeningen en de strategische keuzes die het verschil maken tussen een magere opbrengst en een daadwerkelijk geoptimaliseerd rendement. We vergelijken het zelfs met andere vormen van groene investeringen, zoals een warmtepomp, om u een compleet perspectief te bieden.
In de volgende secties ontrafelen we de complexe realiteit achter groenfondsen. U krijgt de instrumenten in handen om een weloverwogen beslissing te nemen die past bij uw vermogensdoelen en risicoprofiel.
Inhoudsopgave: De strategische analyse van groenfondsen en alternatieven
- Waarom presteren sommige groenfondsen minder stabiel ondanks het belastingvoordeel?
- Hoe berekent u uw nettorendement bij een inleg van € 65.000 in een groenfonds?
- Regiobank of Triodos: welk groenfonds past bij een defensief risicoprofiel?
- De fout bij de aangifte inkomstenbelasting die uw heffingskorting in gevaar brengt
- Wanneer in het jaar instappen om toch te profiteren van de peildatum van 1 januari?
- Na hoeveel jaar heeft u een investering van € 12.000 in een warmtepomp er écht uit?
- Wat verdient u per maand met het verhuren van uw hogedrukreiniger en is dat belastbaar?
- Hybride warmtepomp of ‘all-electric’: wat is de slimste tussenstap voor een woning uit 1980?
Waarom presteren sommige groenfondsen minder stabiel ondanks het belastingvoordeel?
Het hardnekkige beeld van groenfondsen is dat ze een laag maar stabiel rendement bieden, aangevuld met een aantrekkelijk belastingvoordeel. De realiteit is echter weerbarstiger. De prestaties kunnen volatiel zijn en soms zelfs negatief uitvallen, wat het fiscale voordeel tenietdoet. De oorzaak ligt vaak in de onderliggende structuur van deze fondsen. Groenfondsen beleggen voor een groot deel in langlopende leningen aan duurzame projecten, zoals windparken of biologische landbouw. Dit maakt ze kwetsbaar voor een specifiek, vaak onderschat risico: het duratierisico.
Duratierisico treedt op wanneer de kapitaalmarktrente stijgt. Bestaande leningen met een lagere, vaste rente worden dan minder waard. Omdat groenfondsen een portefeuille vol met deze langlopende leningen hebben, kan een scherpe rentestijging een directe negatieve impact hebben op de intrinsieke waarde van het fonds. De casus van het Triodos Groenfonds in 2022 is hier een perfect voorbeeld van. De eerste significante rentestijging in meer dan tien jaar leidde tot een waardedaling van het fonds, ondanks de stabiele prestaties van de gefinancierde projecten zelf. Dit toont aan dat macro-economische factoren een grotere invloed kunnen hebben dan de kwaliteit van de individuele beleggingen.
Een ander element is het concentratierisico. Groenfondsen zijn vaak gericht op specifieke sectoren (bijv. duurzame energie) en een beperkte geografische regio (vaak Nederland). Deze focus, hoewel goed voor de impact, betekent minder diversificatie dan bij een wereldwijd aandelenfonds. Tegenvallers in die specifieke sector of regelgeving kunnen het fonds onevenredig hard raken. Historisch gezien lag, volgens recente marktanalyse, het rendement tussen 0,1% en 3,1% gemiddeld per jaar, maar deze cijfers maskeren de onderliggende volatiliteit.
Deze visualisatie van overlappende certificaten symboliseert hoe risico’s in een geconcentreerde portefeuille met elkaar verweven zijn. Voor u als belegger betekent dit dat u een groenfonds niet moet zien als een spaarrekening met een bonus. Het is een belegging met een specifiek risicoprofiel dat actief beheerd en begrepen moet worden.
Hoe berekent u uw nettorendement bij een inleg van € 65.000 in een groenfonds?
Om de werkelijke waarde van een groen belegging te bepalen, is een berekening van het nettorendement essentieel. Dit gaat verder dan het fondsrendement plus de belastingvrijstelling. We moeten alle componenten meenemen: het rendement van het fonds, de bespaarde vermogensbelasting, de heffingskorting en de kosten van het fonds. Laten we dit illustreren met een concreet voorbeeld voor het belastingjaar 2025.
Stel, u bent een alleenstaande belegger met een totaal vermogen in box 3 van € 150.000. U besluit € 65.000 hiervan te investeren in een erkend groenfonds. De berekening van de verschuldigde belasting ziet er dan als volgt uit:
- Totale bezittingen: € 150.000
- Groene beleggingen (deel van totaal): € 65.000
- Heffingvrij vermogen (2025): € 57.000 (indicatief)
- Groene vrijstelling (2025): Maximaal € 30.000 (indicatief, wordt jaarlijks vastgesteld). U kunt € 30.000 van uw € 65.000 vrijstellen.
- Grondslag voor box 3: € 150.000 – € 57.000 – € 30.000 = € 63.000
Over deze grondslag van € 63.000 betaalt u vermogensrendementsheffing. Zonder de groene vrijstelling zou uw grondslag € 93.000 zijn. De vrijstelling levert dus een directe besparing op de te betalen belasting. Daarnaast ontvangt u de heffingskorting. In 2025 bedraagt deze 0,7% van uw vrijgestelde groene belegging, dus 0,7% van € 30.000 = € 210. Dit bedrag wordt direct in mindering gebracht op uw te betalen inkomstenbelasting. Het is belangrijk te beseffen dat deze voordelen eindig zijn, zoals de onderstaande tabel laat zien.
De onderstaande tabel, gebaseerd op een analyse van de fiscale voordelen, toont de ontwikkeling van de vrijstellingen. Let op: de exacte bedragen worden jaarlijks geïndexeerd, maar de trend is duidelijk.
| Jaar | Vrijstelling Individueel | Vrijstelling Partners | Heffingskorting |
|---|---|---|---|
| 2025 | € 30.000 | € 60.000 | 0,7% |
| 2026 | € 30.000 | € 60.000 | 0,7% |
| 2028 | € 0 (mogelijk afgeschaft) | € 0 (mogelijk afgeschaft) | 0% (mogelijk afgeschaft) |
Uw nettorendement is dus: (Fondsrendement – Fondskosten) + Bespaarde vermogensbelasting + Heffingskorting. Alleen door deze volledige berekening te maken, kunt u groenfondsen objectief vergelijken met andere beleggingen.
Regiobank of Triodos: welk groenfonds past bij een defensief risicoprofiel?
De keuze voor een specifiek groenfonds is geen kwestie van simpelweg de hoogste historische opbrengst kiezen. Voor een belegger met een defensief risicoprofiel, die primair op zoek is naar kapitaalbehoud en stabiele, voorspelbare opbrengsten, zijn andere factoren doorslaggevend. De onderliggende beleggingsstrategie en het risicoprofiel van het fonds zelf zijn hierbij cruciaal. Laten we twee bekende aanbieders, Triodos Bank en Regiobank, naast elkaar leggen vanuit dit perspectief.
Het Triodos Groenfonds is een van de meest bekende en grootste fondsen. Het investeert in een breed scala aan duurzame projecten, van zonneparken en windmolens tot biologische landbouw en duurzaam vastgoed. Een belangrijk kenmerk voor de defensieve belegger is de officiële risico-indicator. Volgens de essentiële beleggersinformatie wordt het Triodos Groenfonds ingedeeld in risicoklasse 2 op een schaal van 7. Dit duidt op een laag risico, voornamelijk omdat het fonds grotendeels in leningen investeert en niet direct in aandelen van bedrijven. De waarde kan echter, zoals eerder besproken, wel fluctueren door renteveranderingen.
Het Regiobank Groenfonds (vaak beheerd door ASN Impact Investors) heeft een vergelijkbare focus. Het belegt eveneens in projecten die bijdragen aan milieubescherming. Het onderscheid zit vaak in de details van de portefeuille en de kostenstructuur. Regiobank positioneert zich als een bank met een sterke lokale verankering, wat kan reflecteren in de projectkeuzes. Voor een defensieve belegger is het zaak om de jaarverslagen en de essentiële beleggersinformatie van beide fondsen naast elkaar te leggen en te kijken naar:
- De verhouding leningen versus aandelen: Meer leningen betekent doorgaans een defensiever profiel.
- De gemiddelde looptijd van de leningen: Kortere looptijden verlagen het duratierisico.
- De kosten (TER): Hogere kosten eten direct aan uw nettorendement.
De keuze is dus niet simpelweg “bank A of B”. Het gaat om het vinden van het fonds wiens specifieke beleggingsfilosofie het best aansluit bij uw persoonlijke risicotolerantie. Triodos benadrukt bijvoorbeeld zijn directe impact, zoals blijkt uit hun communicatie. Zoals Triodos Investment Management zelf stelt in hun productinformatie:
Triodos Groenfonds belegt in 250 lokale duurzame projecten die direct impact hebben in Nederland.
– Triodos Investment Management, Triodos Groenfonds productinformatie
Voor een defensieve belegger is de lage risicoklasse van Triodos een sterk argument, maar een vergelijking van de kosten en de precieze portefeuille-samenstelling met het aanbod van Regiobank blijft een noodzakelijke stap in het selectieproces.
De fout bij de aangifte inkomstenbelasting die uw heffingskorting in gevaar brengt
Het realiseren van het fiscale voordeel van groen beleggen is niet volautomatisch. Een correcte aangifte inkomstenbelasting is cruciaal. Helaas worden hier vaak fouten gemaakt die het voordeel in gevaar brengen of zelfs volledig tenietdoen. De Belastingdienst controleert actief, en een simpele vergissing kan leiden tot correcties en het mislopen van honderden euro’s aan heffingskorting.
Een van de meest voorkomende fouten is het verkeerd invullen van de waarde van de groene beleggingen. Veel beleggers vullen dit bedrag in onder ‘Overige bezittingen’ in box 3, samen met hun andere aandelen en spaargeld. Er is echter een apart veld voor ‘Groene beleggingen’. Alleen wanneer u de waarde hier correct invult, wordt de specifieke vrijstelling correct toegepast en de heffingskorting berekend. Een andere veelgemaakte fout betreft fiscale partners. De gezamenlijke vrijstelling mag vrij verdeeld worden, maar dit moet wel strategisch gebeuren. Het is vaak het voordeligst om de vrijstelling toe te wijzen aan de partner met het hoogste vermogen in box 3.
Naast de aangifte zelf, is het bezitsmoment cruciaal. U moet de groene belegging op de peildatum van 1 januari in uw bezit hebben. Dit lijkt eenvoudig, maar de praktijk is complexer, zoals een casus van Meewind illustreert. Zij waarschuwen dat fondsen vaak eind december sluiten voor nieuwe participanten om de administratie voor de peildatum rond te krijgen. Beleggers die in de laatste weken van december willen instappen, kunnen te laat zijn, waardoor hun participaties pas na 1 januari worden uitgegeven en ze het voordeel voor dat jaar mislopen.
Het nauwkeurig invullen van uw aangifte is geen bijzaak, maar een kernonderdeel van uw beleggingsstrategie. Gebruik de onderstaande checklist om te verzekeren dat u geen cruciale stappen over het hoofd ziet.
Checklist: Uw groene beleggingen correct aangeven
- Controleer of uw fonds voorkomt in het officiële overzicht van de Belastingdienst voor het betreffende belastingjaar.
- Vul de waarde op 1 januari in onder het specifieke veld ‘Groene beleggingen’, niet bij ‘Overige bezittingen’.
- Verdeel de vrijstelling optimaal tussen uzelf en uw fiscale partner om de belastingdruk in box 3 te minimaliseren.
- Verzeker u ervan dat u de belegging daadwerkelijk op de peildatum (1 januari, 0:00 uur) in uw bezit had en dit kunt aantonen.
- Bewaar de jaaropgave van het groenfonds zorgvuldig als bewijsstuk voor de Belastingdienst.
Wanneer in het jaar instappen om toch te profiteren van de peildatum van 1 januari?
Het adagium “bezit de belegging op 1 januari” is de basisregel voor het fiscale voordeel, maar het implementeren van deze regel vereist een proactieve strategie. Wachten tot de laatste weken van december is een riskante gok die veel beleggers duur komt te staan. De cruciale vraag is dus niet *of* u op de peildatum moet bezitten, maar *hoe* u dit met zekerheid kunt garanderen.
De belangrijkste factor is de verwerkingstijd en het sluitingsbeleid van de groenfondsen zelf. Zoals eerder genoemd, sluiten veel fondsen hun deuren voor nieuwe beleggers ruim voor 31 december. Dit doen ze om de enorme administratieve last van het verwerken van nieuwe participaties voor de peildatum te kunnen beheren. Een aanvraag die u op 28 december indient, wordt mogelijk pas in de eerste week van januari verwerkt. Resultaat: u bezit de participaties officieel pas ná 1 januari en loopt het belastingvoordeel voor een heel jaar mis.
De optimale strategie is om ruim op tijd te handelen. Een goede vuistregel is om het instapproces uiterlijk begin december te starten. Dit geeft u voldoende marge voor eventuele vertragingen in de administratieve afhandeling bij zowel uw bank als het fonds. Neem contact op met de aanbieder van het groenfonds om hun specifieke ‘deadline’ voor de peildatum van 1 januari te achterhalen. Vraag expliciet tot welke datum zij garanderen dat een nieuwe inleg nog voor het einde van het jaar wordt verwerkt.
Daarnaast wordt de markt voor groenfondsen krapper. De vraag overstijgt vaak het aanbod aan goedgekeurde projecten, waardoor fondsen (tijdelijk) vol kunnen zijn. Volgens een recent overzicht zijn er nog maar een beperkt aantal aanbieders met een actieve groenverklaring. Dit beperkte aanbod verhoogt de noodzaak om niet tot het laatste moment te wachten. De beste strategie is anticyclisch handelen: overweeg uw instapmoment al in het derde of begin vierde kwartaal. U vermijdt hiermee niet alleen de eindejaarsdrukte, maar u geeft uzelf ook de tijd om de fondsen rustig te analyseren zonder de druk van een naderende deadline.
Na hoeveel jaar heeft u een investering van € 12.000 in een warmtepomp er écht uit?
Naast financiële producten zoals groenfondsen, kunt u ook direct in duurzaamheid investeren, bijvoorbeeld door uw woning te verduurzamen. Een populaire, maar kapitaalintensieve optie is de installatie van een warmtepomp. Een veelgestelde vraag is dan: wanneer verdien ik die investering terug? Een investering van € 12.000 klinkt fors, maar het antwoord hangt sterk af van het type warmtepomp, de subsidies en uw energieverbruik.
De terugverdientijd van een warmtepomp is de periode die nodig is om de initiële investering (na aftrek van subsidies) terug te verdienen via de besparing op uw energierekening. De gemiddelde terugverdientijd van een warmtepomp ligt doorgaans tussen de 7 en 15 jaar. Deze brede range wordt veroorzaakt door diverse factoren: de gas- en elektriciteitsprijzen, het isolatieniveau van uw woning en het type pomp. Een all-electric warmtepomp, die uw cv-ketel volledig vervangt, heeft een hogere initiële investering maar levert ook de hoogste besparing op. Een hybride warmtepomp werkt samen met uw bestaande cv-ketel, is goedkoper in aanschaf, maar de besparing is lager.
Om een concreter beeld te geven, toont de onderstaande tabel de indicatieve terugverdientijden voor verschillende systemen, gebaseerd op een recente vergelijkende analyse. De investeringsbedragen zijn na aftrek van de ISDE-subsidie.
| Type Warmtepomp | Investering na Subsidie | Jaarlijkse Besparing | Terugverdientijd |
|---|---|---|---|
| Hybride (4 kW) | € 4.075 | € 424 – € 646 | 6 – 10 jaar |
| All-electric Lucht/Water | € 8.975 | € 1.057 – € 1.586 | 5 – 7 jaar |
| Bodemwarmtepomp | € 11.000+ | € 1.200 – € 1.800 | 8 – 12 jaar |
Voor een investering van rond de € 12.000 kijkt u waarschijnlijk naar een bodemwarmtepomp of een zwaardere all-electric variant. Met een potentiële jaarlijkse besparing van € 1.200 of meer, kan de terugverdientijd inderdaad binnen een acceptabele termijn van 8 tot 10 jaar vallen. Dit maakt het een interessante alternatieve ‘groene belegging’ naast een financieel fonds. De opbrengst is hier geen financieel rendement, maar een directe besparing op uw vaste lasten, wat voor veel huishoudens een zeer tastbaar voordeel is.
Wat verdient u per maand met het verhuren van uw hogedrukreiniger en is dat belastbaar?
Naast passief beleggen in box 3 of direct investeren in uw woning, is er een derde route om rendement te genereren: het actief creëren van kleine inkomstenstromen, bijvoorbeeld via de deeleconomie. Het verhuren van gereedschap dat u bezit, zoals een hogedrukreiniger, via platforms als Peerby, is een praktisch voorbeeld. Dit levert wellicht geen duizenden euro’s op, maar kan een gestage stroom van ‘micro-inkomsten’ genereren. Maar hoe behandelt de Belastingdienst deze verdiensten?
In tegenstelling tot het rendement op uw vermogen in box 3, vallen inkomsten uit de deeleconomie in een andere fiscale categorie. Wanneer u structureel en tegen een vergoeding spullen verhuurt, ziet de Belastingdienst dit als ‘resultaat uit overige werkzaamheden’. Deze inkomsten zijn belast in box 1. Dit betekent dat u de opbrengsten moet optellen bij uw inkomen uit werk. Het tarief in box 1 is progressief en doorgaans hoger dan de heffing in box 3. Het voordeel is echter dat u ook kosten mag aftrekken. Denk hierbij aan:
- Afschrijvingskosten van de hogedrukreiniger.
- Kosten voor onderhoud en reparaties.
- De commissie die u aan het verhuurplatform betaalt.
De netto-opbrengst (inkomsten min aftrekbare kosten) wordt belast. Stel dat u uw hogedrukreiniger 10 keer per maand verhuurt voor € 15, dan is dat € 150 omzet per maand. Na aftrek van kosten houdt u wellicht € 100 netto over. Dit bedrag wordt belast tegen uw persoonlijke tarief in box 1. Hoewel dit fiscaal anders wordt behandeld dan groenfondsen, zien sommige experts dit als een complementaire strategie. Een financieel planningsexpert merkte onlangs op in een analyse over strategische vermogensopbouw:
Micro-inkomsten uit de deeleconomie vormen een component van vermogensopbouw, naast fiscaal geoptimaliseerde beleggingen zoals groenfondsen.
– Financieel planningsexpert, Strategische vermogensopbouw analyse 2024
Deze benadering diversifieert uw inkomstenbronnen: passief rendement uit vermogen in box 3 en actief gegenereerd inkomen in box 1. Het is een moderne vorm van vermogensbeheer waarbij alle bezittingen, groot en klein, kunnen bijdragen aan uw financiële doelen.
Kernpunten om te onthouden
- Het nettorendement van een groenfonds is een optelsom van fondsrendement, bespaarde belasting en heffingskorting, minus de fondskosten.
- Duratierisico (rentegevoeligheid) is een significant risico dat het rendement van groenfondsen kan drukken, los van het fiscale voordeel.
- Een correcte aangifte in het specifieke veld ‘Groene beleggingen’ en tijdig instappen (ruim voor december) zijn cruciaal om het belastingvoordeel te garanderen.
Hybride warmtepomp of ‘all-electric’: wat is de slimste tussenstap voor een woning uit 1980?
Voor eigenaren van woningen uit de jaren ’70 of ’80 is de overstap naar duurzame verwarming een complexe puzzel. Deze woningen zijn vaak matig geïsoleerd (energielabel D of E), waardoor een volledige ‘all-electric’ warmtepomp niet altijd direct de beste of meest kostenefficiënte keuze is. De vraag is dan: wat is de slimste tussenstap? Een hybride warmtepomp wordt vaak gezien als de meest logische en pragmatische oplossing voor dit type woning.
Een hybride systeem werkt samen met de bestaande cv-ketel. De warmtepomp verzorgt het grootste deel van de tijd de verwarming van de woning. Alleen op zeer koude dagen, wanneer de warmtepomp niet efficiënt genoeg kan werken, springt de cv-ketel bij. Dit heeft twee grote voordelen voor een woning uit 1980. Ten eerste zijn er geen dure aanpassingen aan de radiatoren nodig. All-electric systemen vereisen lage-temperatuurverwarming, wat vaak betekent dat alle radiatoren vervangen moeten worden. Ten tweede biedt het zekerheid: u komt nooit in de kou te zitten, zelfs niet als de isolatie nog niet perfect is.
De keuze wordt helder door een concrete casus te analyseren. Het is de afweging tussen een lagere initiële investering met een goede besparing, versus een hoge investering die pas rendeert na aanvullende, kostbare maatregelen.
Praktijkvoorbeeld: De optimale keuze voor een hoekwoning uit 1980
Voor een matig geïsoleerde hoekwoning uit 1980 met twee bewoners bleek een hybride warmtepomp de optimale keuze. De jaarlijkse besparing op de energierekening wordt geschat op € 470 tot € 1.030, met een terugverdientijd van ongeveer 8 jaar. Een cruciaal detail is dat de cv-ketel naar verwachting slechts gedurende 10% van het jaar (de koudste dagen) hoeft bij te springen. Dit voorkomt de noodzaak voor een dure en ingrijpende upgrade van het volledige afgiftesysteem (radiatoren), waardoor de hybride optie als tussenstap financieel veel aantrekkelijker is dan een directe overstap naar all-electric.
De strategie voor een woning uit 1980 is dus vaak een gefaseerde transitie. Begin met een hybride warmtepomp. Dit levert direct een aanzienlijke besparing op zonder torenhoge initiële kosten. Gebruik de komende jaren om de isolatie van de woning stapsgewijs te verbeteren (dak, muren, vloer, glas). Zodra de woning goed genoeg geïsoleerd is, kan de cv-ketel in de toekomst volledig worden uitgefaseerd en kan de warmtepomp de volledige verwarmingslast dragen. Dit maakt de hybride pomp een slimme, flexibele en financieel behapbare investering.
Veelgestelde vragen over groen beleggen voor fiscaal rendement
Wanneer zijn verhuurinkomsten belastbaar?
Inkomsten uit de deeleconomie, zoals het verhuren van spullen, vallen onder ‘resultaat uit overige werkzaamheden’ in Box 1 als ze structureel zijn en met het doel om winst te maken worden verkregen. Dit is een actieve vorm van inkomen, in tegenstelling tot het passieve rendement op vermogen (zoals bij groene beleggingen) dat in Box 3 wordt belast.
Wat is het verschil met Box 3 vermogen?
Het fundamentele verschil is de aard van het inkomen. Box 3 belast het forfaitaire rendement op uw passieve vermogen (spaargeld, aandelen, inclusief groene beleggingen) boven een bepaalde vrijstelling. Box 1 belast actieve inkomsten uit arbeid of andere werkzaamheden, zoals structurele verhuur. De belastingtarieven en regels voor aftrekbare kosten zijn in beide boxen volledig verschillend.
Kan ik kosten aftrekken?
Ja, bij ‘resultaat uit overige werkzaamheden’ in Box 1 mag u de kosten die u maakt om de inkomsten te verkrijgen, aftrekken. Bij de verhuur van een product kunt u denken aan afschrijving, onderhoudskosten, verzekeringen en eventuele platformkosten. Dit is een belangrijk verschil met Box 3, waar u geen kosten mag aftrekken van het berekende rendement.